Wie niet ernstig ziek is, maar toch zijn leven voltooid acht, kan geen beroep doen op de Euthanasiewet. Een waardig einde is hen niet gegund. Een Commissie van Wijzen, ingesteld door ministers Schippers (Volksgezondheid), onderzoekt nu de mogelijkheden om deze mensen toch te helpen. De Tweede Kamer is in debat.

Opiniestuk 'Hulp is geen misdaad'

In dit overlegstadium is het van belang een aantal zaken in ogenschouw te nemen. Dankzij de medische vooruitgang kunnen mensen langer leven, maar daarmee groeit ook het aantal mensen dat afscheid van dat leven wil nemen.  Afhankelijk van hun wens, moeten zij hulp kunnen krijgen van een arts, stervensbegeleider of naaste. Een wettelijke regeling dient daarom ook hulp bij zelfdoding door niet-artsen mogelijk te maken.

Gebrek aan wettelijke regeling leidt nu tot situaties waarin mensen onnodig lijden, op een onwaardige manier uit het leven stappen of een poging daartoe ondernemen. Voelt een naaste, arts of hulpverlener zich genoodzaakt hulp te bieden, dan maakt deze zich schuldig aan het misdrijf ‘hulp bij zelfdoding’ waarop een gevangenisstraf van drie jaar staat.

Hulp bij zelfdoding is strafbaar gesteld in 1886. Bij de bespreking, destijds, van dat wetsartikel vroeg de Raad van State zich af of er grond was voor strafbaarstelling, aangezien zelfdoding zelf geen strafbaar feit is. De wetgever antwoordde: ‘Den eerbied voor het menschelijk leven ook tegenover hem, die voor zichzelf daaraan te kort wil doen.’ Hulp bij zelfdoding werd zo een ‘delictum sui generis’: een daad die inbreuk maakt op een algemeen beginsel. Hiermee werd bewust het non-volenti-beginsel aan de kant gezet: het principe dat de wil van de betrokkene de strafbaarheid wegneemt. Twee opmerkelijke botsingen met de systematiek van het recht, gerechtvaardigd door de grond ‘den eerbied voor het menschelijk leven’.

We gaan allang niet meer uit van het principe dat eerbied voor het leven een absolute waarde is. Zie de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst, waarin autonomie van de patiënt centraal staat, ook als dat het einde van zijn leven betekent. De Euthanasiewet uit 2002 is daar een goed voorbeeld van. In dat licht is het goed de legitimiteit van artikel 294 lid 2 ter discussie te stellen. Als het idee van ‘eerbied voor het leven’ niet langer geaccepteerd wordt als absoluut beginsel, wat is dan de grond voor de strafbaarheid van hulp bij zelfdoding?

De afgelopen maanden heeft de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) debat gevoerd over afschaffing van dit artikel. Gevreesd wordt dat zwakkeren slachtoffer worden van mensen die uit eigenbelang ‘een handje helpen’. Die angst voor misbruik is begrijpelijk, daarom stelt de NVVE criteria voor waardoor de kans op misbruik minimaal wordt.

Ten eerste: het aanzetten tot zelfdoding blijft strafbaar onder artikel 294 lid 1. Dit artikel beschermt mensen tegen druk vanuit de omgeving. Ten tweede: de essentie van ‘hulp bij zelfdoding’ zit in de term ‘zelf’. Degene aan wie de hulp verleend wordt moet de handelingen die leiden tot overlijden zélf verrichten uit vrije wil. Hulp is slechts gericht op het mogelijk maken van een menswaardige dood.
Tot slot kan er gekozen worden voor een alternatief dat de strafbaarheid van hulp bij zelfdoding niet geheel wegneemt maar mogelijk maakt onder voorwaarden. Er kan een derde artikel worden toegevoegd aan artikel 294, waarin de strafbaarheid wordt opgeheven als er wordt voldaan aan de criteria onbaatzuchtigheid, transparantie, toetsbaarheid, zorgvuldigheid, waardigheid en legaliteit. Zo kan op een gecontroleerde manier hulp bij zelfdoding geboden worden.

Ontvang onze nieuwsbrief

Deel dit item: