In 2017 kwamen de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE’s) met hun oordeel over de euthanasie. De RTE’s oordeelden dat in deze casus twee van de zes zorgvuldigheidseisen niet (goed) waren nageleefd. Ten eerste was er geen (afdoende betrouwbaar) vrijwillig en weloverwogen verzoek en ten tweede was de euthanasie niet medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Euthanasie wilsonbekwame vrouw als onzorgvuldig beoordeeld

Het verzoek

Er was wel een schriftelijke wilsverklaring maar deze bevatte enkele zinsneden die maakte dat de verklaring voor meerdere interpretaties vatbaar was. Er stond namelijk: “Ik wil gebruik maken van het wettelijk recht om euthanasie op mij toe te passen, wanneer ik daar zelf de tijd voor rijp acht.” De toevoeging “wanneer ik daar zelf de tijd rijp voor acht” suggereert dat de vrouw het moment voor de euthanasie zelf wilde kiezen, en dat ze verwachtte dat ze tegen die tijd nog zelf kon aangeven dat ze euthanasie wil. Dit was in werkelijkheid echter niet meer zo. Als haar werd gevraagd of zij dood wilde, antwoordde ze meermalen iets in de trant van: “Nu nog niet hoor, het is nog niet zo erg!” Het leek erop dat de wilsverklaring dus niet geschreven was voor deze situatie en in die zin niet ‘geldig’ was. Hoewel de commissie inzag dat er ook een ruimere lezing van de verklaring denkbaar was, juist omdat de verklaring, gelezen op de hiervoor beschreven manier, haar betekenis zou verliezen, oordeelde de toetsingscommissie dat, ‘in aanmerking nemend dat het hier letterlijk om een vraagstuk van leven en dood gaat en de levensbeëindiging onomkeerbaar is’, aan de veilige kant moet worden gebleven en aan de meer restrictieve lezing van de dementieclausule moet worden vastgehouden. Aangezien er ook geen mondeling verzoek was, kon de commissie dan ook niet vaststellen dat er een geldig verzoek aan de levensbeëindiging ten grondslag lag. 

De uitvoering

Voorafgaand aan de uitvoering van de levensbeëindiging heeft de arts, zonder dit te overleggen met patiënte, een slaapmiddel toegevoegd aan de koffie van de vrouw, om te voorkomen dat de vrouw zich tegen de toediening van de euthanatica zou verzetten en er een worsteling zou ontstaan. De toetsingscommissie oordeelde dat iemand juist altijd de mogelijkheid moet behouden om zich tegen het inbrengen van het infuus dan wel de toediening van de euthanatica fysiek te verzetten. Bovendien zou dit, als dit zou gebeuren, niet moeten uitlopen op een worsteling, maar zou de arts pas op de plaats moeten maken. De commissie vond het dan ook niet juist dat de arts doorging met de levensbeëindiging toen de vrouw tijdens het inbrengen van het infuus een terugtrekkende beweging maakte en tijdens de toediening van het euthanaticum overeind kwam. De commissie vond dat de arts de levensbeëindiging had moeten staken om zich nader te beraden op de ontstane situatie en niet met de uitvoering daarvan had moeten doorgaan, vooral niet nu de vrouw daarbij moest worden vastgehouden (door familie). De commissie oordeelde dat de arts met haar handelwijze een grens heeft overschreden. De commissie gaf mee in haar oordeel dat bij de uitvoering van de levensbeëindiging dwang, en ook de schijn van dwang, tot elke prijs moet worden voorkomen.

Het volledige oordeel van de RTE leest u hier: 12._Oordeel_2016-85_-_Onzorgvuldig_.pdf

Ontvang onze nieuwsbrief

Deel dit item:

We gebruiken cookies en andere technieken om uw bezoek aan onze site beter en makkelijker te maken. Maar dat betekent ook dat wij en andere partijen zoals Google meer over uw internetgedrag te weten komen dan u misschien fijn vindt.
Wilt u weten wat precies, kijk dan op onze 
Privacy- en cookieverklaring. En u mag natuurlijk altijd nee zeggen tegen cookies: dan werkt de site soms wat minder goed.