De Inspectie voor de Gezondheidszorg onderzocht de door de toetsingscommissie als onzorgvuldig beoordeelde euthanasie en vond dat de arts had gehandeld buiten de kaders van de professionele standaard, en had elf verwijten geformuleerd (a t/m k). Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag heeft de verwijten verdeeld in twee klachtonderdelen, gerelateerd aan de zorgvuldigheidseisen uit de Wtl: 1) er is niet voldaan aan de zorgvuldigheidseis van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van patiënte en 2) er is niet voldaan aan de zorgvuldigheidseis dat de levensbeëindiging is uitgevoerd volgens de medische standaard.

Arts berispt door Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

Het verzoek

Het tuchtcollege redeneerde grotendeels hetzelfde als de toetsingscommissie en oordeelde dat de arts niet had mogen vertrouwen op de schriftelijke wilsverklaring. Het tuchtcollege spreekt niet, zoals de toetsingscommissie doet, van ‘meerdere interpretaties’, maar van ‘tegenstrijdigheden ten aanzien van het moment waarop patiënte de levensbeëindiging uitgevoerd zou willen zien’. Immers: enerzijds lijkt dit te zijn het moment ‘wanneer patiënte in een verpleegtehuis voor demente bejaarden moet worden opgenomen’. Anderzijds wordt een persoonlijke keuze ingebouwd met de woorden wanneer ik daar zelf de tijd rijp voor acht’ en ‘op mijn verzoek’Het tuchtcollege overweegt, net als de toetsingscommissie, dat aan de veilige kant moet worden gebleven bij dit soort problemen: “gelet op de onomkeerbaarheid van levensbeëindiging en de ethische aspecten die verbonden zijn aan het bewust beëindigen van het leven van een medemens, dient een schriftelijke euthanasieverklaring om deze te kunnen gebruiken niet voor meer uitleg vatbaar te zijn”.

De uitvoering

Ook op dit punt oordeelde de tuchtrechter grotendeels hetzelfde als de toetsingscommissie: het vond dat de arts niet dusdanig mag handelen dat de patiënt niet meer in staat is zich tegen de euthanasie te verzetten: “Ook demente patiënten houden het recht om alsnog euthanasie te weigeren.” Ook neemt de tuchtrechter het de arts kwalijk dat deze helemaal niet heeft geprobeerd om met patiënte te praten over het concrete voornemen om haar leven te beëindigen en daarbij een slaapmiddel in haar koffie te doen. Dat de vrouw wilsonbekwaam was en waarschijnlijk geen idee had waar deze vragen over zouden gaan, betekent niet ‘dat de arts was ontslagen van de verplichting om ten minste te proberen om met patiënte te praten’ over deze handelingen. De tuchtrechter verwijst daarbij naar de WGBO en naar de regelgeving rond dwangbehandeling en dwangmedicatie: hieruit volgt dat eerst geprobeerd moet worden om de toestemming van patiënt (passend bij zijn bevattingsvermogen) te krijgen. Als een patiënt dan vervolgens niet wil meewerken kan dit bovendien ertoe leiden dat de arts de behandeling moet staken.

Oordeel: berisping

De conclusie van het tuchtcollege is dat het handelen van de specialist ouderengeneeskunde op de meeste klachtonderdelen de toets der kritiek niet kan doorstaan. De arts heeft daarmee in strijd gehandeld met de zorg die zij ten opzichte van patiënte behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a van de Wet Big. Als maatregel legt het college een berisping op.

Lees het volledige oordeel hier: 2018_-_RTG_Den_Haag_2018-033_-_Euthanasie_met_premedicatie_en_onduidelijke_wvk.pdf

Ontvang onze nieuwsbrief

Deel dit item:

We gebruiken cookies en andere technieken om uw bezoek aan onze site beter en makkelijker te maken. Maar dat betekent ook dat wij en andere partijen zoals Google meer over uw internetgedrag te weten komen dan u misschien fijn vindt.
Wilt u weten wat precies, kijk dan op onze 
Privacy- en cookieverklaring. En u mag natuurlijk altijd nee zeggen tegen cookies: dan werkt de site soms wat minder goed.